Speelmaker Fanny vertelt hoe ze met 'speelvechten' omgaat, van vroeger tot nu.
“Ik ben opgegroeid met twee broers en ging naar de scouts. Speelvechten? Daar weet ik alles van. En ik heb er geen littekens of trauma’s aan overgehouden... Later werd ik mama van drie zonen. Speelvechten leek onvermijdelijk. Eerlijk? Ik wou het niet aanmoedigen. Er is al genoeg oorlog en agressie in de wereld. Nee, dat speelvechten, dat leek me geen goed idee.
De ogen van mijn zoon blonken bij het zien van speelgoedgeweren, maar ik hield de boot af en gaf ze hem niet. Het hielp niet veel. Alles werd een wapen. Zijn vingers. Een boterham. Een koek. Een tak.
Tot hij op een dag thuiskwam van de kermis met zijn grootvader, met een stralende lach én een speelgoedgeweer….
Mijn vader groeide op tijdens de Tweede Wereldoorlog. "Het is maar speelgoed," zei hij erbij. Ik slikte mijn bezwaren in. Wat volgde was een waar wapenarsenaal: Nerf-geweren, geweren met kleine balletjes, sierwapens uit andere landen… Ik leerde ermee leven.
Dan kwamen de aanslagen in Brussel, nu tien jaar geleden. Een nieuw keerpunt, ook in hoe ik naar speelvechten keek. In de week erna kwamen het buurmeisje en de buurjongen spelen. En wat hoorde ik? Ze speelden "Abdelsalaam". Mijn woonkamer als oorlogsgebied. Ik stond er even bij stil. Moest ik ingrijpen? Het voelde onwennig, en toch ook goed. En zelfs nodig.
Jaren later las ik dat spelen de manier is waarop kinderen de echte wereld leren kennen en begrijpen. Dat zette iets recht in mijn hoofd. Fantasiespel met wapens heeft dus echt z’n plaats.
Even terug naar de drie zonen. Ze speelden alle drie rugby. Thuis hun krachten op elkaar afmeten gebeurde regelmatig. Rugby heeft regels, dat geeft structuur. Maar toch liep het soms uit de hand. Verbieden? Dat lukte me gewoon niet. En ik merkte iets opvallends: júist in die momenten dat het escaleerde en we er samen over konden babbelen, groeiden ze.
Via mijn werk bij Speelmakers hoorde ik in de kinderopvang geregeld: wapens en speelvechten zijn verboden, want "er is al genoeg geweld in de wereld". Een redenering vol goede bedoelingen, die ik ook begreep, want het was ooit ook mijn mening geweest. Maar iets bleef knagen.
Op het congres van de International Play Association viel alles op zijn plek. Ik volgde er een sessie over speelvechten en het belang ervan voor kinderen. Is het een echte nood? Absoluut. Wordt het aanvaard? Veel te weinig. Sinds de Tweede Wereldoorlog wordt speelvechten in Europa steeds vaker verboden — met de beste bedoelingen. Maar dan stel ik me eerlijk de vraag: Is er sindsdien minder geweld? Bestaat er geen oorlog meer?
Als Speelmakers kunnen we er niet langer omheen. Vorming over speelvechten en spelen met wapens is nodig.
Mijn eerste sessie gaf ik enkele weken geleden aan een groep animatoren van een speelpleinwerking, jongens en meisjes van 16-17 jaar. Speelvechten mag bij hen, maar volwassenen zien het regelmatig escaleren en weten niet goed hoe ze ermee om moeten gaan. We gingen samen voor de ervaring: Wat doet speelvechten met jou? Hoe kan je dit aanbieden binnen een veilig kader? Het was een rijke, boeiende sessie. En ja, het was ook spannend. Ik voelde af en toe de gedachte "wat als ze nu echt gaan vechten?" in me opkomen. Maar de methodieken werkten, dat voelden we allemaal.
Intussen zijn mijn zonen tussen de 16 en 21 jaar. Ze hebben geen interesse meer in geweren. Het stoeispelen blijft. Maar escaleren? Dat doet het al lang niet meer. Want ergens onderweg hebben ze geleerd om elkaars te grenzen te bewaken en voor zichzelf en elkaar te zorgen.
En dat is precies waar het om gaat."
Wil je zelf als begeleider speelvechten en spelen met wapens toelaten, maar je weet niet hoe?
Loop je aan tegen weerstand van ouders, collega's of beleid?
Speelmaker Fanny vertelt hoe ze met 'speelvechten' omgaat, van vroeger tot nu.
“Ik ben opgegroeid met twee broers en ging naar de scouts. Speelvechten? Daar weet ik alles van. En ik heb er geen littekens of trauma’s aan overgehouden... Later werd ik mama van drie zonen. Speelvechten leek onvermijdelijk. Eerlijk? Ik wou het niet aanmoedigen. Er is al genoeg oorlog en agressie in de wereld. Nee, dat speelvechten, dat leek me geen goed idee.
De ogen van mijn zoon blonken bij het zien van speelgoedgeweren, maar ik hield de boot af en gaf ze hem niet. Het hielp niet veel. Alles werd een wapen. Zijn vingers. Een boterham. Een koek. Een tak.
Tot hij op een dag thuiskwam van de kermis met zijn grootvader, met een stralende lach én een speelgoedgeweer….
Mijn vader groeide op tijdens de Tweede Wereldoorlog. "Het is maar speelgoed," zei hij erbij. Ik slikte mijn bezwaren in. Wat volgde was een waar wapenarsenaal: Nerf-geweren, geweren met kleine balletjes, sierwapens uit andere landen… Ik leerde ermee leven.
Dan kwamen de aanslagen in Brussel, nu tien jaar geleden. Een nieuw keerpunt, ook in hoe ik naar speelvechten keek. In de week erna kwamen het buurmeisje en de buurjongen spelen. En wat hoorde ik? Ze speelden "Abdelsalaam". Mijn woonkamer als oorlogsgebied. Ik stond er even bij stil. Moest ik ingrijpen? Het voelde onwennig, en toch ook goed. En zelfs nodig.
Jaren later las ik dat spelen de manier is waarop kinderen de echte wereld leren kennen en begrijpen. Dat zette iets recht in mijn hoofd. Fantasiespel met wapens heeft dus echt z’n plaats.
Even terug naar de drie zonen. Ze speelden alle drie rugby. Thuis hun krachten op elkaar afmeten gebeurde regelmatig. Rugby heeft regels, dat geeft structuur. Maar toch liep het soms uit de hand. Verbieden? Dat lukte me gewoon niet. En ik merkte iets opvallends: júist in die momenten dat het escaleerde en we er samen over konden babbelen, groeiden ze.
Via mijn werk bij Speelmakers hoorde ik in de kinderopvang geregeld: wapens en speelvechten zijn verboden, want "er is al genoeg geweld in de wereld". Een redenering vol goede bedoelingen, die ik ook begreep, want het was ooit ook mijn mening geweest. Maar iets bleef knagen.
Op het congres van de International Play Association viel alles op zijn plek. Ik volgde er een sessie over speelvechten en het belang ervan voor kinderen. Is het een echte nood? Absoluut. Wordt het aanvaard? Veel te weinig. Sinds de Tweede Wereldoorlog wordt speelvechten in Europa steeds vaker verboden — met de beste bedoelingen. Maar dan stel ik me eerlijk de vraag: Is er sindsdien minder geweld? Bestaat er geen oorlog meer?
Als Speelmakers kunnen we er niet langer omheen. Vorming over speelvechten en spelen met wapens is nodig.
Mijn eerste sessie gaf ik enkele weken geleden aan een groep animatoren van een speelpleinwerking, jongens en meisjes van 16-17 jaar. Speelvechten mag bij hen, maar volwassenen zien het regelmatig escaleren en weten niet goed hoe ze ermee om moeten gaan. We gingen samen voor de ervaring: Wat doet speelvechten met jou? Hoe kan je dit aanbieden binnen een veilig kader? Het was een rijke, boeiende sessie. En ja, het was ook spannend. Ik voelde af en toe de gedachte "wat als ze nu echt gaan vechten?" in me opkomen. Maar de methodieken werkten, dat voelden we allemaal.
Intussen zijn mijn zonen tussen de 16 en 21 jaar. Ze hebben geen interesse meer in geweren. Het stoeispelen blijft. Maar escaleren? Dat doet het al lang niet meer. Want ergens onderweg hebben ze geleerd om elkaars te grenzen te bewaken en voor zichzelf en elkaar te zorgen.
En dat is precies waar het om gaat."
Wil je zelf als begeleider speelvechten en spelen met wapens toelaten, maar je weet niet hoe?
Loop je aan tegen weerstand van ouders, collega's of beleid?

"Als coördinator van een centrum voor kinderen met een beperking merk ik op dat spelen wat uit ons DNA is verdwenen. Ik wil graag weg van het toezicht houden en terug plezier en spelen!" Karo - MFC Ritmica

Een team kleuterleerkrachten zit klaar voor een vorming rond spelen. In het midden van de kring liggen stokken, buizen, doeken, dozen, … Ik kijk al even de kring rond. En ja, ik zie het meteen: twee mensen krijgen ‘lichtjes in hun ogen’. Ze kijken niet gewoon, ze zien mogelijkheden. Bingo, daar zitten speelse mensen! En wat blijkt, het zijn inderdaad de eersten om enthousiast mee te spelen.
Vul je mailadres in en ontvang boeiend en speels nieuws van Speelmakers.